Basiskennis


Inleiding

Het voederen van een paard omvat meer dan het geven van voldoende ruwvoer, water en krachtvoer. Het paard dient gevoederd te worden naargelang de behoefte. Dit wil zeggen dat het rantsoen dient aangepast te worden wanneer het paard meer of minder beweging krijgt en wanneer er bijvoorbeeld een gedeelte van het voeder aangesproken dient te worden voor de groei van een veulen.

In deze cursus trachten wij dit op een simpele, duidelijke doch volledige manier uit te leggen. Hierbij komt de voederbehoefte van het paard aan bod evenals enkele manieren waarop deze behoefte kan ingevuld worden. Om inzicht te krijgen in de vertering van voeder bij paarden, moeten we eerst een correct beeld hebben van het verteringsstelsel van een paard. Daarom is dit ons eerste aandachtspunt.

Het verteringsstelsel

Het paard behoort tot de herbivoren (planteneters). Omdat planteneters de vezelige structuren van grassen, granen, ? moeten kunnen verteren, beschikken zij over aangepast verteringsstelsel. Dit verteringsstelsel wordt bij paarden gekenmerkt door een sterk ontwikkeld darmenstelsel en een relatief kleine maag.


Opname

Bij de opname van het voeder spelen de lippen een zeer belangrijke rol. Door zeer zorgvuldig gebruik van de lippen kan het paard het voeder selectief opnemen. Dit merk je bijvoorbeeld wanneer je ontwormingskorrels bij onder het krachtvoer mengt en het paard deze bijna allemaal achterlaat in de etensbak. Op deze manier kan het paard ook gemakkelijk giftige of minder smakelijke kruiden ontwijken en de grassen in de omgeving wel opnemen.
In tegenstelling tot rundvee snijden paarden het gras wel af met de snijtanden. Het gevolg hiervan is dat bij vele paardenweiden het gras zo kort afgegraasd wordt tot onder de groeipunten. Dit is te kort. Hierdoor zal het gras minder snel terug groeien.

Kauwen

Na de opname dient het voeder goed gekauwd te worden. Het paard doet dit door de bovenkaak en onderkaak over mekaar te schuiven en zo een malende beweging uit te voeren. Het paard kan maar op één zijde tegelijkertijd kauwen omdat de onderkaak van het paard smaller is dan de bovenkaak. Problemen bij het kauwen kunnen optreden bij het voorkomen van haken op de tanden, bij oude paarden, bij het wisselen van tanden, ?
Van belang om de groei van haken op de tanden te voorkomen is het verstrekken van voldoende ruwvoeder. Wanneer dit niet gebeurt verhoogt de kans op het onregelmatig afslijten van kiezen waardoor haken ontstaan.

Naarmate het voeder meer structuur bevat, gaat het kauwen op een zelfde hoeveelheid voer langer duren. Hierdoor wordt er meer speeksel afgescheiden per hoeveelheid voer. Dit zorgt voor een betere vertering door fijner vermalen van het voer en een hogere speekselafscheiding waardoor de doorstroming naar de maag regelmatiger gebeurt.
Het speeksel is basisch. Dit zorgt ervoor dat het begin van de maag minder zuur is. Dit is nodig omdat in een te zuur milieu alle bacteriën zouden afsterven. Deze bacteriën staan in voor het fermenteren van koolhydraten.
Belangrijk voor deze afscheiding van speeksel is het verstrekken van voldoende drinkwater. Een paard met onvoldoende drinkwater ter beschikking zal minder speeksel afscheiden.
Het voederen op vaste tijdstippen heeft als voordeel dat de speekselafscheiding al begint voordat het paard zijn voeder heeft gehad. Hierdoor krijg je een betere vertering.

De maag

De mond wordt verbonden met de maag door de slokdarm. Het voeder dat in de maag terechtkomt, komt eerst in het alkalische gedeelte van de maag terecht. In dit deel worden gemakkelijk verteerbare koolhydraten afgebroken door bacteriën en enzymen. In het tweede gedeelte van de maag, de kliermaag, vindt afbraak van eiwitten en vetten plaats. Dit gedeelte van de maag is zuur (door HCL). Hier worden de bacteriën van het alkalische gedeelte van de maag afgedood.
Een mogelijk probleem in de maag, maagzweren, kan ontstaan omdat de maag zuur blijft produceren wanneer ze leeg is. Hierdoor kan de inhoud van de maag te zuur worden en kunnen maagzweren ontstaan. Wanneer het paard altijd ruwvoer ter zijner beschikking heeft, wordt dit mogelijke probleem voorkomen.
Omwille van de kleine omvang van de maag bij paarden is het raadzaam het voeder te verstrekken in meerdere kleine hoeveelheden. Het geven van te grote hoeveelheden voer in


één keer kan leiden tot ernstige verteringsproblemen (vb. gaskoliek).
Bij de vertering van voeder zijn maag en darmen extra voorzien van bloed. Dit bloed wordt gedeeltelijk onttrokken aan minder werkende lichaamsdelen. Indien het paard vlak na een maaltijd moet werken, zal er geen extra bloed voor de vertering voorhanden zijn. De vertering zal hierdoor trager verlopen waardoor de maag zich trager ledigt. Hierdoor kan het gas dat wordt gevormd in het begin van de maag niet snel genoeg afgevoerd worden via de darmen. Daardoor kan ook gaskoliek ontstaan.

Dunne Darm

In de dunne darm worden de voederpartikels nog verder afgebroken door afscheiding van gal (lever), darmsappen en pancreassap. Een groot gedeelte van de opgenomen voederbestanddelen wordt in het bloed opgenomen. Indien niet alle bacteriën in het zure gedeelte van de maag afgedood zijn, zal nog een fermentatie plaatsvinden in de dunne darm. Hierdoor kan ook gaskoliek ontstaan.

Dikke Darm

In de blinde darm wordt de ruwe celstof afgebroken door micro-organismen. Hierbij ontstaan vluchtige vetzuren die als energie dienen voor het organisme. Verder worden door deze micro-organismen ook tal van wateroplosbare vitamines gevormd.
Indien het paard onvoldoende ruwvoeder opneemt, zal de hoeveelheid micro-organismen in de blinde darm dalen. Hierdoor zal het positieve effect van deze organismen ook afnemen.
In het achterste gedeelte van de dikke darm vindt resorptie van water, zouten en andere voedingsstoffen plaats waardoor er enkel onverteerbare resten overblijven.
Deze verlaten via endeldarm en anus het lichaam van het paard. Indien de mest niet vast genoeg is, wijst dit dikwijls op een te snelle passage van het voeder door het spijsverteringsstelsel. Dit is het gevolg van te weinig ruwe celstof in het rantsoen. Stinkende mest kan wijzen op stoornissen in het maagdarmkanaal.

Voedingselementen

Eiwitten

Eiwitten zijn zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de vrucht bij drachtige merries. Ook de melk die de merrie produceert, onttrekt een aanzienlijk gedeelte eiwitten uit het lichaam van de merrie. Voor de groei van spieren en het beendergestel hebben jonge paarden behoefte aan een hoger gehalte eiwitten in hun rantsoen.
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. De waarde van de eiwitbron wordt bepaald door het patroon en de verteerbaarheid van de samenstellende aminozuren. We maken een onderscheid tussen essentiële aminozuren en niet-essentiële aminozuren. De essentiële aminozuren worden niet in het lichaam van het paard aangemaakt en moeten dus via de voeding worden opgenomen. In de paardenvoeding is er vaak een tekort aan de essentiële aminozuren Lysine, Methionine en Tryptofaan. Deze aminozuren vindt men in b.v. soja, melkpoeder, ? Dat maakt van deze voederbestanddelen waardevolle eiwitbronnen.
Te veel aan eiwitten in het rantsoen kan niet als reserves worden afgezet. Daarom wordt het omgezet tot energie. Hierbij wordt ureum gevormd die afgevoerd wordt via de urine.
Sportpaarden hebben geen stijgende behoefte aan eiwitten. Vaak wordt hier tegen gezondigd. Dit heeft als gevolg dat de nieren en lever te sterk belast worden. De paarden gaan te snel zweten (wit schuim) en urineren overvloedig. Symptomen kunnen zijn: dikke benen, versnelde hartslag, huiduitslag, ?
Veulens hebben nood aan een hoger gehalte biologisch hoogwaardige eiwitten omdat hun dikke darm niet ontwikkeld is en er dus weinig microbieel hoogwaardig eiwit wordt gevormd.

Vetten

Vetten zijn vooral belangrijk als energiebron, bron van warmteproductie, zorgen voor betere conditie en zijn drager van vetoplosbare vitamines.
Polionverzadigde vetzuren (?-3-vetzuren) komen voor in o.a. sojaolie, maïsolie en lijnzaadolie. Deze vetzuren dragen bij tot de ontwikkeling en het onderhouden van een blinkende vacht.
Het voederen van extra vet verhoogt het uithoudingsvermogen onder aërobe omstandigheden omdat het een glycogeensparend effect teweegbrengt.
Een paard kan tot 16% vet in het rantsoen gebruiken. Hogere gehaltes dan 20 % doen de verteerbaarheid dalen met diarree als gevolg.
Een hoger vetgehalte zorgt er wel voor dat de smakelijkheid van het voeder afneemt.

Koolhydraten

Koolhydraten zijn de belangrijkste energiebron voor paarden. Koolhydraten is de verzamelnaam voor o.a. suikers, zetmeel (in granen) en de moeilijk verteerbare cellulose (ruwe celstof in de celwand van plantencellen).
Een overmaat van koolhydraten in het rantsoen zorgt voor melkzuurfermentatie in de dikke darm. Dit kent men beter als het verbranden van de darmen.
Suikers komen bijvoorbeeld veelvuldig voor in suikerbieten en voederbieten. Deze suikers worden in de dunne darm afgebroken tot opneembaar glucose en fructose.
Zetmeel wordt in de dunne darm omgezet tot glucose. Zetmeel uit haver en gerst is beter verteerbaar dan zetmeel uit maïs en rauwe aardappelen.
Ruwe celstof komt vooral voor in de meest stengelige voedergewassen (gras, hooi, stro, ?). Deze ruwe celstof komt bijna intergraal in de dikke darm terecht en wordt daar verteerd door de micro-organismen.
Bij grote hoeveelheden suikers en zetmeel kan de opslag van spierglycogeen zo groot worden dat bij het aëroob katabolisme een gevaarlijke hoeveelheid melkzuur vrijkomt. Dit verschijnsel wordt maandagziekte genoemd.
Om spierstijfheid tegen te gaan kan men Dimethyl-glycine en Natri=bicarbonaat toedienen aan het paard.

Mineralen

Calcium en fosfor

Calcium is een belangrijk mineraal voor de botvorming, spiercontracties en regulering van een aantal celfuncties.
Fosfor is ook nodig voor de vorming van de beenderen. Verder is fosfor nog aanwezig in energierijke verbindingen (ATP), eiwitten en fosfolipiden.
Vooral belangrijk bij de voeding van paarden is de calcium/fosforverhouding. Deze ligt best tussen de 1,4 en de 2. Bij een relatief calciumtekort (of fosforoverschot) wordt calcium uit het bot vrijgemaakt. Dit geeft beenderafwijkingen als gevolg (beenderontkalking).
Vitamine D zorgt ervoor dat kalk en fosfor via de darmwand wordt opgenomen. Een gebrek aan Vitamine of aan kalk en fosfor kan rachitis of Engelse ziekte veroorzaken. Deze ziekte wordt gekenmerkt door de vorming van relatief te weinig kraakbeen. Hierdoor ontstaan dikke botten vooral in de omgeving van de gewrichten.
Vlinderbloemigen zoals klavers en luzerne zijn rijk aan kalk.

Kalium, natrium en chloor

Deze mineralen zijn elektrolyten. Zij worden via het zweet uitgescheiden uit het lichaam. Dit heeft als gevolg dat de behoefte aan deze elektrolyten veel groter is bij veelvuldig zweten. De behoefte aan zout (NaCl) kan sterk schommelen. De eenvoudigste oplossing hiervoor is een zoutblok in de stal. Bij bijten in deze zoutblok moet deze echter onmiddellijk verwijderd worden.
Kalium wordt meestal in overmaat toegediend via het voer. Het natriumgehalte van het voer daarentegen is dikwijls te laag. Zoutgebrek kan de oorzaak zijn van verminderde eetlust, een ruw haarkleed, verminderde melkproductie, verminderde vruchtbaarheid, lagere prestaties, ?

Magnesium

Magnesium is belangrijk voor het goed functioneren van het hersen- en spierweefsel. Een magnesiumgebrek kan stress veroorzaken. Gebrek aan magnesium komt zelden voor, enkel bij sportpaarden kan men extra toedienen van Mg overwegen. Bij het geven van vetrijke rantsoenen daalt de verteerbaarheid van de Mg.
Mg vind je in luzernehooi, granen en graanbijproducten.

Sporenelementen

Selenium heeft een beschermend effect op de cellen en een sparende invloed op vitamine E. De behoefte aan selenium neemt toe bij overproductie aan melkzuur, bij voedsel met een hoog gehalte onverzadigde vetzuren en bij verhoogde inspanningen. Een overmaat aan selenium is even erg als een tekort (symptomen: haaruitval, kreupel, slechte hoeven).
IJzer speelt een belangrijke rol bij het zuurstoftransport en is een bestanddeel van vele enzymen. IJzertekort komt vaker voor bij aanwezigheid van bloedwormen wegens een grotere zuurstofbehoefte bij inspanningen. IJzer zit in vele grondstoffen, maar is dikwijls slecht opneembaar. Bij zure gronden neemt het paard een teveel aan Mangaan (Mn) op. Dit zorgt ervoor dat het ijzer (Fe) minder goed wordt opgenomen. Men noemt dit verschijnsel ook antagonisme.
Koper is een bestanddeel van een aantal enzymen nodig voor de vorming van elastine, collageen en hemoglobine. Bij tekorten aan koper kan bloedarmoede en plaatselijke verkleuring van het haarkleed optreden.
Darmbacteriën hebben kobalt nodig om vitamine B12 te synthetiseren.
Mangaan is belangrijk bij vorming en groei van de beenderen. Ook voor optimale vruchtbaarheid (ontwikkeling van de eierstokken) is Mn vereist. Mn tekorten komen niet vaak voor. Een overmaat zorgt echter voor secundair Fe-gebrek.
Zink is belangrijk bij de vorming van een mooi, glanzend haarkleed. Een gebrek aan zink kan de oorzaak zijn van slechte hoeven. Zn helpt bij de afbraak van melkzuur en verbetert de weerstand tegen moeheid.
Jodium is een bestanddeel van de schildklier. Bij jodiumgebrek zorgt voor vertraagde rui en vochtophopingen in de poten.

Dagelijkse behoefte
Bij paarden v.500 kg
Onderhoud
Arbeid
Dracht
Lactatie
Groei
Dekhengst
Calcium (g)
30
40
35
63
75
30
Fosfor (g)
20
30
25
40
45
20
Natrium (g)
8
25*
10
10
8
8
Kalium (g)
30
40*
30
35
25
30
Chloor (g)
30
40*
30
35
25
30
Magnesium (g)
6.5
10
8
10
10
8
Koper (mg)
160
200
250
300
250
200
IJzer (mg)
200
300
300
350
300
250
Zink (mg)
500
600
750
950
750
600
Selenium (mg)
1
1.5
1
1
1
1
Jodium (mg)
1
1
1
1
1
1
Mangaan (mg)
500
600
750
900
750
600
Kobalt (mg)
0.5
0.5
0.5
0.5
0.5
-
Zout (NaCl)
30
100*
30
40
25
30

Vitaminen

Vitaminen zijn organische verbindingen die in kleine hoeveelheden nodig zijn voor de stofwisseling van het paard. Bij een tekort zullen bepaalde reacties geremd of geblokkeerd raken en kunnen zich waarneembare ziekteverschijnselen voordoen.
Sportpaarden hebben hogere gehaltes aan vitaminen nodig dan paarden die op rust staan. Dit is het gevolg van de stresstoestand waar zij vaak in verkeren. Hierdoor nemen ze meer water op en worden meerdere vitaminen verloren via het zweet en de urine.

De vitaminen kunnen worden onderverdeeld in twee grote groepen: de vetoplosbare en de wateroplosbare vitaminen.

Vetoplosbare vitaminen

De vetoplosbare vitaminen zijn wat hun absorptie betreft sterk afhankelijk van de verteerbaarheid van het voeder. Bij een overmaat worden deze vitaminen in het lichaam opgeslagen zodat het dier bij tekort uit de reserves kan putten. Bij een overaanbod echter is de uitscheiding onvoldoende zodat vergiftiging kan optreden. De symptomen zijn dan dezelfde als bij een gebrek.

Vitamine A heeft een invloed op de groei, de eetlust, de huid-en hoornvliezen en de ademhaling. Het verhindert peesaandoeningen, beenderafwijkingen, nachtblindheid en infecties. Gebrek kan vruchtbaarheidstoornissen teweeg brengen. Het lichaam kan caroteen, dat aanwezig is in verse groenvoeders, maïs en wortelen, omzetten in vitamine A. Bij inkuilen, hooien loopt het caroteengehalte sterk terug. Merries hebben naast vitamine A bètacaroteen nodig voor een goede functionering van de ovaria. Dit kan een oorzaak zijn van stille of minder duidelijke bronst.

Vitamine D3 stimuleert de absorptie van Ca en P en werkt zo preventief tegen beenderproblemen zoals kromme beenderen, verdikte gewrichten, onvoldoende hoornvorming van de hoeven en verminderde groei. Een overmaat zorgt voor kalkneerslag in de weke delen van het lichaam zoals hart, bloedvaten en lever. De meeste paarden beschikken over voldoende vitamine D3. Vitamine D3 wordt in de zomer onderhuids opgebouwd via de zon en in de winter wordt het voldoende aangevoerd door het zongedroogde hooi. Een overdosering kan verkalking van de bloedvaten als gevolg hebben.

Vitamine E beschermt de celmembranen, werkt preventief tegen spierproblemen en verhoogt de zuurstofopname in het bloed zodat er snellere recuperatie is na zware inspanningen. De behoefte aan vitamine E neemt toe wanneer het rantsoen meer onverzadigde vetten (vitamine E voorkomt het ranzig worden van vetten) bevat en wanneer het dier meer arbeid verricht. Groenvoeders en graan bevatten relatief veel vitamine E. Bij overjaars hooi of lang opgeslagen geplette haver is het gehalte vitamine E sterk gedaald. Bij vitamine E ?gebrek dalen de prestaties en de vruchtbaarheid van het paard.

Wateroplosbare vitaminen

Van de wateroplosbare vitaminen wordt geen reserve aangelegd in het lichaam. Bij overaanbod verlaten deze het lichaam met de urine waardoor er dus geen overaanbod kan ontstaan. De B-vitamines worden door de micro-organismen in de dikke darm gesynthetiseerd, maar voor sportpaarden is deze hoeveelheid zeker niet voldoende en moeten er extra vitamines worden toegevoegd via het voeder. Zeker bij jonge paarden en veulens moeten voldoende vitamines toegevoegd worden omdat de blinde darm en de dikke darm nog onvoldoende ontwikkeld zijn.

Vitamine B1 of thiamine is essentieel voor het gebruik van koolhydraten en houdt de vorming van melkzuur tegen. Vitamine B1 wordt soms in hoge dosissen toegediend als kalmerend middel en zou kunnen helpen tegen cournage.

Vitamine B2 of Riboflavine is belangrijk bij de benutting van de nutriënten uit het rantsoen, de werking van het zenuwstelsel en het eiwit- en vetmetabolisme. Vitamine B2 activeert de afbraak van melkzuur. Zelden komen gebreken voor.

Vitamine B3 of pantotheenzuur heeft een rol in het eiwit-, vet- en koolhydratenmetabolisme. Het is essentieel voor de groei vele micro-organismen, dus voor een goede darmflora.

Vitamine B6 of pyridoxineheeft een rol in de vorming van bloedcellen en in een aantal reacties met aminozuren.

Vitamine B12 of cyanocobalamine wordt vaak in grote hoeveelheden toegediend aan sportpaarden omdat het het zuurstoftransport in het bloed verhoogt. Hierdoor krijgen de paarden een beter uithoudingsvermogen.

Vitamine B15 of Pangaamzuur is nog niet goed gekend in Europa. Het wordt frequent toegediend aan de paarden van het ?USA equestrian team? onder aanbeveling van Dokter Robert Atkins. Het verhoogt de opname van zuurstof in het bloed en zijn opname in de weefsels. Het gevolg hiervan is een beter uithoudingsvermogen en een betere conditie.

Vitamine M (Foliumzuur) is essentieel voor de vorming van rode bloedcellen. Toevoeging van andere ?bloedvormers? zoals ijzer, vitamine B12, ? heeft weinig zin als onvoldoende foliumzuur aanwezig is.

Vitamine PP of nicotinezuur is belangrijk voor de respiratie van de weefsels.

Choline beschermt de lever en stimuleert de vertering. Het zou een rol spelen bij dempigheid veroorzaakt door leverstoornissen.

Vitamine H of biotine is nodig voor een mooi blinkend haarkleed. Hoge doseringen gedurende een lange periode (15 mg / dag enkele maanden lang) hebben een goede invloed op de kwaliteit van de hoeven (in combinatie met methionine, Vit. A, Vit. D3 en calcium). Sommige plantaardige grondstoffen zoals luzerne en grasmeel zijn rijk aan biotine. Granen bevatten ook biotine, maar deze is voor het dier zeer beperkt opneembaar. Biotine is betrokken bij de synthese van keratine. Dit is de belangrijkste structurele component van de hoorn. Anderzijds beïnvloedt biotine de hoeveelheid en de samenstelling van het intercellulair cement wat bepalend is voor de elasticiteit van de hoefhoorn. De hoeven worden harder (minder bros) en het proces van de hoornvorming versnelt.

Vitamine C of ascorbinezuur is nodig bij paarden die zware inspanningen leveren of onder stress staan. Het verhoogt het afweermechanisme (weerstand tegen ziekten) van het paard en zou een rol hebben in de vruchtbaarheid. Het wordt in grote hoeveelheden door het lichaam opgebouwd.

Dagelijkse behoefte
Bij paarden van 500 kg
Onderhoud
Arbeid
Dracht
Lactatie
Groei
Dekhengst
Vitamine A (IE)
40000
40000
70000
70000
60000
50000
Vitamine D3 (IE)
4000
6000
5000
6000
6000
5000
Vitamine E (mg)
50
1000
150
250
150
1000
Vitamine K (mg)
-
-
1
1
1
1
Vitamine B1 (mg)
-
36
24
12
12
36
Vitamine B2 (mg)
-
60
40
60
20
60
Vitamine B3 (mg)
-
72
48
72
24
72
Vitamine B6 (mg)
-
12
12
12
12
12
Vitamine B12 (mg)
-
0.12
0.12
0.12
0.12
0.2
Vitamine B15 (mg)
-
75
50
75
50
75
Foliumzuur (mg)
-
20
12
18
6
18
Vitamine PP (mg)
-
180
120
180
60
180
Choline (mg)
250
900
600
900
300
900
Biotine (mg)
-
0.5
0.5
0.5
0.5
0.5
Vitamine C (mg)
-
100
-
-
-
100
Vetoplosbare vitaminen Wateroplosbare vitaminen

Water

Water is zeer belangrijk in de voeding van een paard. Een paard dient steeds over voldoende zuiver drinkwater te beschikken. Het paardenlichaam bestaat immers voor 70 % uit water en er wordt water uitgescheiden via de ademhaling, via de urine, via zweten, via de mest, via melkproductie, ? Naargelang het paard meer water verliest, zal de behoefte aan water ook groter zijn.
Het water moet helder en fris zijn. Zowel voor als na het voeren loopt het water langs de kleine kromming in de maag rechtstreeks in de dunne darm.
Het geven van te veel koud water aan een bezweet paard na zware arbeid kan koliek veroorzaken.

Tabel: de drinkwaterbehoefte van paarden in kg water per dier per dag

Veulens
10-15 kg
Volwassen paard lichte arbeid
30-40 kg
Volwassen paard zware arbeid
60-80 kg
Volwassen paard zogende merrie
40-60 kg
Behoefte per kg droge stof ruwvoer
3,5 kg
Behoefte per kg droge stof krachtvoer
3 kg

Voedermiddelen

Om een evenwichtig rantsoen samen te stellen dat voldoet aan de behoeften van het paard en dat graag gegeten wordt, is het noodzakelijk de voederwaarde en andere kenmerken van de voedermiddelen te kennen.

Ruwvoeders

Ruwvoeders hebben een hoog ruwe celstofgehalte en een laag energiegehalte. Door het hoge ruwe celstofgehalte moet het paard ruwvoeders goed kauwen waardoor een regelmatige speekselafscheiding plaatsvindt die de spijsvertering bevordert. Het intensief kauwen zorgt ook voor afleiding waardoor het paard minder snel problemen krijgt met stalondeugden.

Weidegras

Grassen zijn nagenoeg volledig voeder voor paarden. In onderhoudsstofwisseling kan een paard van 500 kg tot 10 kg DS aan gras opnemen. Bij begrazing van jong voorjaarsgras (energierijk) kunnen de paarden te vet worden. Bovendien is het eiwitgehalte van jong voorjaarsgras hoog waardoor de dieren overmatig gaan drinken en urineren. Dit is schadelijk voor nieren en lever.
Bij het opzaaien van een graasweide voor paarden wordt best gekozen voor een mengsel van grassen (Raaigrassen, beemdlangbloem, lammerstaart, klaver,?) speciaal voor paarden samengesteld.
De voederwaarde van de weide is afhankelijk van de botanische samenstelling van de weide (welke grassen er groeien). Deze samenstelling kan wijzigen in de tijd. Een weide met veel kruiden heeft een goede smakelijkheid, beschikt veel mineralen (hoeveelheid en veel verschillende soorten), maar heeft een lage opbrengst. Ook de bemesting beïnvloedt de voederwaarde van de weide. Zwaar bemest gras bevat meer Eiwit en minder ruwe celstof dan arm bemest gras. Ook zullen de klaver en de kruiden uit het gewasbestand verdrongen worden.

Hooi

Hooi is gras dat gedroogd is tot een DS-percentage van 80%. Hierdoor kan het bewaard worden. De voederwaarde van hooi is steeds lager dan van vers gras. De voederwaarde zal dalen naarmate lange bewaring, naarmate het aantal schudbeurten en naarmate slechtere weersomstandigheden tijdens de oogst van het hooi.
Hooi is goed voor het tegengaan van stalondeugden omdat het de paarden bezighoudt. Verder is het een bron van vitaminen (B-complex, D en E), caroteen en mineralen. Hooi is een goede ruwe celstofbron voor paarden. Het is ideaal om te voederen naast krachtvoer.
Problemen met hooi kunnen optreden bij een te hoog eiwitgehalte (te hoge bemesting), te nat in pak (bruinverkleuring, schimmel) en bij te veel onzuiverheden (stof). Het probleem van stofferig hooi kan voorkomen worden door het te doordrenken met water net voor het aan het paard te voederen.
Klaver- en luzernehooi zijn eiwitrijke (2 x meer dan normaal hooi) voedermiddelen. Luzerne is kalkrijk (3 x gewoon hooi) en heeft een hoog caroteengehalte. Bij te veel voedering van luzerne- of klaverhooi koliek of leveraandoening veroorzaken. De paarden moeten wennen aan de bittere smaak. In mengvoeders kom je pellets van luzerne tegen. Het maximum gehalte in het rantsoen is 20%.

Kuilvoeders

Voor paarden zijn enkel voordroogkuil van gras en maïskuil met een hoog droge stof gehalte bruikbaar.
Het probleem bij natte kuil is de hoge zuurtegraad en het dikwijls hoge eiwitgehalte. Het best blijft het gras drie dagen drogen om een voldoende hoog drogestofgehalte (55-60 %) te bekomen. Het voordeel van voordroog tegenover hooi is dat voordroog geen stof bevat. Met voordroog heb je echter meer kans op schimmel (bij slecht afsluiten) en een hoog eiwitgehalte. Verder is het ruwe celstofgehalte van voordroog lager dan dat van hooi. Zeker bij het verstrekken van natte voordroog zal dit problemen geven.
Ingekuilde producten kunnen na ongeveer 30 dagen gevoederd worden omdat dan de gisting door melkzure bacteriën stilgevallen zal zijn.
Voordroog kan de oorzaak zijn van botulisme. Dit is een bacterie die leeft op de krengen van muizen, mollen, vogels, ? en bijna steeds fataal is voor het paard. Bij inkuilen is het milieu voor de bacterie ideaal om zich te ontwikkelen.
Maïskuilvoer is zeer energierijk, maar zeer arm aan eiwitten, mineralen, sporenelementen en vitamines. Paarden eten dit voer goed na een periode van gewenning. Maïskuil is een vervetter. Het grote probleem bij maïskuil is het tekort aan caroteen en vitamine D. Bij groeiende, drachtige of lacterende paarden is het een noodzaak vitamines en mineralen bij te voederen.
De inhoud van deze voeders is sterk afhankelijk van het tijdstip van oogsten en van de bemesting. Bij te vroeg oogsten of te veel bemesting, kan het voederen van voordroogkuil aan paarden gevaarlijk zijn.

Wortel- en knolgewassen en bijproducten

Deze voedermiddelen zijn smaakvol en verfrissen. Zij kunnen in zekere mate het gras vervangen. Ze beschikken over een energie-inhoud van 800 ? 1200 VEP per kg DS, maar zijn relatief arm aan eiwitten en mineralen.
Wortelen, voederbieten en suikerbieten kunnen aan paarden verstrekt worden in beperkte hoeveelheden (respectievelijk 1,2 tot 2 kg, 3 tot 4 kg en 1,5 tot 2 kg per 100 kg lichaamsgewicht per dag). Deze producten moeten goed gereinigd worden om zandkoliek te voorkomen.
Bieten bevatten veel gemakkelijk verteerbare koolhydraten. Deze kunnen zoals eerder uitgelegd maandagziekte veroorzaken d.m.v. ophoping van melkzuur.
Bij het voederen van bietenpulp moet men erop letten dat deze voldoende geweekt wordt (ongeveer 12u.,1 kg pulp in 5 l water) om verstopping te voorkomen.

Bijproducten van landbouwgewassen

Stro van graangewassen, graszaad of van vlinderbloemigen kan worden aangewend om aan paarden te voederen. De energie-inhoud van dit stro is laag. De energetische waarden van gerstestro is ongeveer 10 % hoger dan deze van rogge- of tarwestro. Stro bevat verder bijna geen eiwit, vitaminen en mineralen. Waar stro wel goed voor is, is als structuuraanvoerder. Stro is beperkt verteerbaar. Opname van grote hoeveelheden stro kan verstoppingsverschijnselen veroorzaken.

Krachtvoeders

De voornaamste kenmerken van krachtvoeder zijn dat het een laag ruwe celstofgehalte heeft en een hoog droge stofgehalte. Krachtvoeders kan je onderverdelen in twee groepen. Enerzijds heb je de enkelvoudige krachtvoeders en anderzijds heb je de mengvoeders.
De mengvoeders hebben als voordelen dat ze op maat worden gemaakt voor een bepaald type paard en je gemakkelijk een rantsoen met ze kan opstellen dat voldoet aan de voorwaarden. Verder kunnen minder smakelijke grondstoffen worden bijgemengd omdat het geheel toch nog goed opgenomen wordt door het dier.
Omdat sommige paardenhouders toch verkiezen van zelf hun voeder volledig samen te stellen en omdat we geen mengvoeder kunnen samenstellen dat voldoet aan de eisen van elk paard, geven we een overzicht van de meest gebruikte enkelvoudige krachtvoeders.

Grondstoffen voor krachtvoeders

Granen zijn een zeer goede energiebron voor paarden, maar bevatten te weinig mineralen. De energie komt voor onder de vorm van zetmeel. Er is een uitgesproken tekort aan het essentiële aminozuur lysine. Verder is ook het calciumgehalte ontoereikend. De Ca/P verhouding is slechts 0,1-0,25 terwijl deze over het gehele rantsoen 1,5 moet zijn.

Haver
Haver werkt stimulerend op de conditie en het metabolisme van het paard. Paardenliefhebbers gebruiken graag zwarte haver. Nutritioneel gezien is er echter geen reden om dit te doen. Zwarte haver is dikwijls zelfs iets minder rijk dan witte. Zwarte haver is ook vaak iets duurder. De densiteit van zwarte haver is iets hoger dan die van witte. Dit wil zeggen dat een emmer zwarte haver meer kilo?s bevat dan een emmer witte haver. Haver heeft een lagere energie-inhoud dan andere granen, maar het eiwitgehalte is lichtjes hoger en de eiwitsamenstelling is beter. De kroonkafjes van haver zorgen voor een hoger ruwe celstofgehalte dan bij andere granen. Het hoge vetgehalte zorgt voor een mooier haarkleed. Door het pletten van haver verhoogt de verteerbaarheid enerzijds, anderzijds vermindert de kwaliteit van de haver sterk bij het bewaren. Het totale rantsoen mag maximum 30 % haver bevatten.

Maïs
Maïs is het graan met de hoogste energetische waarde en vetgehalte. De eiwitinhoud is zeer laag en er is een uitgesproken tekort aan lysine, tryptofaan, vitaminen en mineralen. Maïs kan bij paarden hoefbevangenheid in de hand werken. Het is te geconcentreerd. Daarom wordt het in het rantsoen gebruikt met volumineuze producten zoals zemelen, gras of luzernemeel. Het rantsoen mag maximum 20 % maïs bevatten.

Gerst
Gerst ligt tussen maïs en haver in qua energiegehalte. Door zijn eerder harde korrel wordt gerst best geplet of gevlokt gevoederd. Gerst bevat een hoog gehalte aan vitamine D, maar een tekort aan mineralen. Het maximum gehalte aan gerst in het rantsoen is 30 %.

Tarwe
Tarwe is zeer energierijk (cfr. Maïs), maar kan verstoppend werken. Het kan gluten (een kleverige massa) in de maag vormen. Tarwe kan tezamen met andere producten zoals lijnzaad, zemelen en zout in mashvorm worden verstrekt. Hierbij wordt het voer in water gekookt en vervolgens enkele uren geweekt. Dit werkt laxerend en heeft een gunstig effect op paarden met spijsverteringsproblemen. Tarwe bevat veel eiwitten en belangrijke vitaminen en mineralen met een tekort aan calcium. Het is aangeraden sportpaarden een klein gehalte tarwe te voederen (10 % max.) omdat het net zoals haver stimulerend werkt op conditie en metabolisme (=?heating feed?).

Rogge
Rogge is minder geschikt in paardenvoeders omdat het nadelig is voor de smaak. Verder komen besmettingen met schimmels (recorcinol en moederkoren) voor. Rogge moet voor het te voederen een hittebehandeling ondergaan (vlokken). Het maximum percentage rogge in het rantsoen is 10%.

Spelt
Spelt heeft een hoog gehalte aan eiwit en ruwe celstof. Verder is spelt het graan met de laagste energiewaarde. Rond spelt bestaat in de paardenwereld een soort ?mystiek?. Spelt blijkt een bepaald bestanddeel te hebben dat een soort surplus brengt in het rantsoen. Dit is echter niet wetenschappelijk bewezen. Het maximum gehalte spelt in het rantsoen is 15 %.

Lijnzaad
Lijnzaad, lijnmeel en lijnzaadschilfers oefenen door hun gehalte aan onverzadigde vetzuren en vetoplosbare vitaminen een gunstige invloed uit op de groei, de gezondheidstoestand, het haarkleed en de conditie van het paard. De slijmstoffen die vrijkomen bij het koken van lijnzaad zorgen voor een betere spijsvertering. Lijnzaad bevat giftige bestanddelen (limanarine, ricinus). Door de hittebehandeling worden deze geneutraliseerd.

Soja
Soja is het meest gebruikte eiwitsupplement. Het heeft een zeer goede eiwitkwaliteit (het bevat veel lysine en methionine), is rijk aan vetoplosbare vitamines en vitamine B1 en B2. Soja zou aan alle jonge paarden (tot 3 jaar) moeten worden verstrekt. In de paardenvoeding wordt de getoaste hele sojaboon gebruikt, maar ook sojaschroot en sojaolie dat een zeer goede energiebron is en tevens zorgt voor een glanzend haarkleed. Een te hoog gehalte aan soja in het rantsoen kan diarree veroorzaken. Het maximum gehalte aan sojaolie in het rantsoen is 2 %. Bij soja algemeen is dit 10 %.

Vlinderbloemigen
Granen van vlinderbloemigen zijn een goede energiebron en bevatten een hoog eiwitpercentage. Ze zijn arm aan calcium en magnesium. Erwten, lupinen en bonen hebben niet zo een goede eiwitkwaliteit dan soja. Men moet de paarden er geleidelijk aan wennen omdat ze moeilijk verteerbaar zijn, stoppend kunnen werken en gasvorming veroorzaken.

Tarwezemelen
Tarwezemelen zijn rijk aan mineralen en B-vitamines. De Ca/P verhouding zit echter erg scheef door een zeer hoog gehalte aan fosfor. Door hun hoog ruw celstof- en pentosanengehalte stimuleren zij de vertering en voorkomen ze diarree. Natte zemelen (slobber) werken laxerend.

Tarwekiemen
Tarwekiemen bevatten veel vet, eiwit van goede kwaliteit en vitamine E. Door het hoog vetgehalte wordt het snel ranzig, met als gevolg dat het gehalte aan vitamine E sterk daalt want vitamine E is een anti-oxidans. Het is beter beschermde synthetische vitamine E te verstrekken omdat het veel stabieler is. Het maximum gehalte in het rantsoen is 2 %.

Melasse
Melasse wordt in mengvoeders onder andere vaak gebruikt omdat het de smaak van het voeder en de eetlust van het paard bevordert. Melasse bevat 50% aan suikers. Het vermindert het stofgehalte en dient als bindmiddel voor de pellets. In warme, vochtige periodes kan melasse de oorzaak zijn van beschimmeling van het voeder. Een hoog gehalte melasse in de voeding veroorzaakt stijve spieren door lactaatvorming. Het kan laxerend werken. Het maximum gehalte aan melasse in het rantsoen is 10 %.

Bietenpulp
Bietenpulp is een bijproduct van de suikerproductie uit suikerbieten. Het wordt gedroogd en in pellets geperst. Droge pulp moet steeds eerst voldoende geweekt worden omdat het te veel uitzet bij bevochtiging. Hierbij moet de regel 1kg pulp op 7 liter water gebruikt worden. Op deze manier kan het verstopping van de slokdarm of barsten van de paardenmaag veroorzaken. Het maximum gehalte in het rantsoen is 7,5 %.

Bakkers- en biergist
Bakkers- en biergist is rijk aan eiwit van goede kwaliteit. Het is rijk aan B-vitamines en aan mineralen. Er is wel een gebrek aan calcium. Gist verhoogt de weerstand tegen infecties, de opneembaarheid van aminozuren en de verteerbaarheid van ruwe vezel. Het maximum gehalte aan biergist is 1%.

Samengestelde voeders

Men onderscheidt hier twee grote groepen. Dit zijn volledige voeders die alle voor het dier benodigde voedingsbestanddelen bevatten in de gewenste verhoudingen en aanvullende voeders die verstrekt dienen te worden naast andere voeders en het rantsoen vervolledigen.
Wij, bij voeders Lannoo-Martens produceren aanvullende krachtvoeders. Hierbij worden vitamines en mineralen toegevoegd om de volledige behoefte van het paard te dekken. De keuze van het voeder dient hier genomen te worden in functie van de overige componenten van het rantsoen en de behoeften van het paard. Hier wordt later verder op ingegaan.

Tabel voedermiddelen:
Voeder
VEP/kg voeder
VRE/kg voeder
Aardappelen
217
12
Bietenpulp
810-833
38-46
Bonen verhit
894
195
Erwten
951
175
Gerst
958
85
Weidegras
130-142
22-24
Grashooi
496-547
57-89
Graskuil
305-335
48
Grasmeel
667
116
Graszaadstro
341
25
Haver
836
90
Haver gepeld
1152
116
Krachtvoeder
Afh.van samenstelling (gem. 810)
Afh. Van samenstelling (gem. 100)
Lijnzaadschilfers
708
258
Luzernehooi
464
105
Luzernekorrel
499-576
61-138
Maïsgraan
1021
63
Paardebonen
942
207
Snijmaïs
285
18
Sojaschroot
850
409
Sojascheut
849
382
Gerstestro
279
8
Haverstro
304
9
Tarwestro
232
7
Suiker
1329
0
Suikerbiet
242
4
Tarwe
1009
96
Tarwezemelengrint
638
117
Voederbiet
150
8
Witloofwortelen (getrokken)
128
5
Witloofwortelen (niet getrokken)
170
5
Wortelen
126
7

Voedingsproblemen

Koliek

Paarden zijn gevoelig voor koliek. Iedere paardenhouder zal waarschijnlijk al wel een paard met koliek hebben gehad. Koliek is niet echt een ziekte, maar een verzamelnaam voor allerlei ziekelijke afwijkingen die op de een of de andere manier buikpijn veroorzaken. Je ziet dan dat het dier zich ongemakkelijk voelt. Het stampt naar de buik, kijkt naar de flanken en gaat veelvuldig liggen. Bij zware koliek begint het paard zelfs te zweten, te kreunen en laat zich vallen. Deze koliek kan te wijten zijn aan voedingsfouten. Deze koliek moet tot een minimum aantal gevallen te herleiden zijn.
Vormen van koliek zijn zandkoliek, gaskoliek, verstoppingskoliek, krampkoliek en stresskoliek.

Zandkoliek

Paarden kunnen zandkoliek krijgen door het te veel opnemen van zand. Dit kan gebeuren door het paard te voederen op de grond, door het te weinig reinigen van voedermiddelen zoals bieten, wortelen en aardappelen, door te veel verontreinigingen in ruwvoeder of door een gebrek aan mineralen waardoor het paard deze gaat zoeken in de grond. Indien het zand zich opstapelt in de buikbodem (dikke darm), kan het paard hier last van krijgen. Deze paarden kunnen koliekerig zijn, slecht in het haar staan, niet fit zijn. Vele van deze paarden krijgen kolieken na het rijden of na het maken van gekke sprongen. Het zand schudt dan op. Dit zorgt voor irritaties. Paarden die last hebben van zandkoliek, hebben dikwijls iets waterige mest. Bij grote hoeveelheden zand, kan dit de darm verstoppen zodat deze uitzet, wat zeer pijnlijk is. Het toedienen van Psyllium zou helpen het zand uit de darmen te verwijderen.

Gaskoliek

Gaskoliek kan voorkomen bij een slechte rantsoenering en bij een te klein aantal voederbeurten. Bij vertering van grote hoeveelheden snel verteerbaar krachtvoeder kan fermentatie ontstaan in de darmen. Hierdoor ontstaat gasophoping waardoor het paard zich ongemakkelijk gaat voelen. Opname van een sterk gistend voeder of het werken met een volle maag kan ook windkoliek veroorzaken. Maaggistingen kunnen het gevolg zijn van het voederen van voedermiddelen met een afwijkende kwaliteit.

Verstoppingskoliek

Dit kan voorkomen bij eenzijdig voederen van structuurrijke voedermiddelen. Zeker bij te weinig kauwen kan dit ernstige verstopping van het maagdarmkanaal veroorzaken. Ook een ernstige worminfectie kan tot verstoppingskoliek leiden. Het geven van lijnzaadolie of slobber kan ervoor zorgen dat verstoppingskoliek minder snel voorkomt. Deze voedermiddelen werken immers laxerend.

Krampkoliek

Krampkoliek kan voorkomen bij opname van bevroren voedermiddelen of te veel koud water.

Stresskoliek

De beschermende slijmlaag aan de maagwand zorgt ervoor dat deze niet wordt aangetast door de zure inhoud van de maag. Door veelvuldige stress kan het zijn dat deze slijmlaag gevaarlijk dun wordt. Hierdoor kan maagirritatie ontstaan.

Hoefbevangenheid

Hoefbevangenheid is een ontsteking van de hoeflederhuid. Deze hoeflederhuid ligt tussen het been en de eigenlijke hoef. De zwelling die met de ontsteking gepaard gaat kan niet weg omdat de hoef aan alle kanten omsloten is. Hierdoor worden bloedvaten afgesloten en wordt de bloedvoorziening van de hoef afgesloten. De hoeflederhuid sterft af en de draagrand komt los te zitten. De loszittende draagrand oefent druk uit op de kroonrand. Dit gaat gepaard met hevige pijn voor het paard.
Hoefbevangenheid kan verschillende oorzaken hebben. Het drinken van te veel koud water of het eten van bedorven of beschimmeld voeder kan de oorzaak zijn van hoefbevangenheid. Ook het voederen van te veel krachtvoeder (zonder gewenning) of van vers gedorste granen zijn veelvoorkomende oorzaken. Verder kunnen ook stress, sterke afkoeling of een ziekte hoefbevangenheid uitlokken.

Maandagziekte

Maandagziekte komt voor bij paarden die een periode niet gewerkt hebben en waarbij het voederpatroon niet veranderd is. Deze paarden zijn stijf en willen liever niet lopen. Het kan in ernstige gevallen zelfs levensbedreigend zijn. Bij tying up moet het werk zeer langzaam terug hervat worden want de kans op herhaling is zeer groot. Aanpassingen van het voer kan een volgende aanval voorkomen. Krachtvoeder bij een sportpaard staat rechtevenredig met de gevraagde arbeid per dag.

Wormen

Om een paard gezond te houden moet men een strikt wormschema aanhouden.
 
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Januari
Pyrantel
Pyrantel
Februari
Ivermectine
-
Maart
-
Moxidectine
April
Ivermectine
-
Mei
-
-
Juni
Ivermectine
Moxidectine
Juli
Pyrantel
Pyrantel
Augustus
Ivermectine
-
September
-
Mocidectine
Oktober
Ivermectine
-
November
Ivermectine
moxidectine
december
-
-

Pyrantel = vb. horseminth, e.a.
Moxidectine = vb. equest (niet bij veulens), e.a.
Ivermectine = vb. ivomec, Eqvanlan, flurexel, e.a.